Suikerspin en popcorn

Laat een reactie achter

Een bijdrage van Henk van de Hoef

Dit weekend waren we uitgenodigd op een verjaardagsfeestje bij een van onze buren. In de loop van de avond sprak ik met verschillende mensen, zoals je dat op een dergelijke meeting doet. Na afloop en ook de volgende dag merkte ik dat één verhaal bij me is blijven hangen, omdat het vragen stelt over de manier waarop wij soms met mogelijkheden van kinderen omgaan.

Ondernemer van 11 jaar jong

Tim is een jongen van net elf. Hij woont in Reeuwijk en is (voor zijn leeftijd) buitengewoon ondernemend. Zo heeft Tim een eigen verhuurbedrijf. Hij verhuurt popcorn- en suikerspinmachines. De avond dat ik bij de buren via de poort naar binnen ging, stond Tim daar. Het was nog koud buiten, maar hij had zich goed ingepakt en keek ons met z’n heldere ogen aan en vroeg enthousiast: “hebben jullie zin in een suikerspin?” Onze kids waren gelijk verkocht.  Terwijl wij vriendelijk bedankten en naar binnen liepen, fabriceerde Tim met vaardige hand een prachtige roze suikerspin voor mijn twee kids.

Enige tijd later sprak ik z’n moeder. Ik zei haar dat ik het zo leuk vond dat Tim daar buiten suikerspinnen klaar stond te maken. Voor ik het wist waren we een half uur verder. Tims moeder vertelde me dat hij van jongs af aan al ondernemend was en dat ze soms niet goed wist hoe ze er mee om moest gaan. Voor Tim was het ondernemen een intrinsieke drive. Iets wat hij leuk vindt, waar hij net zo veel voldoening in vond dan andere kinderen in een spel.

Niet te stoppen

Zijn moeder vertelde me verder dat hij al eigen visitekaartjes heeft, dat hij op feestjes en partijen staat van vriendjes en bekenden som zijn suikerspinnen en popcorn te verkopen. En hij regelt bijna alles zelf.  Hij maakt offertes, benadert mensen, maakt een overzicht van de ingrediënten die hij nodig heeft en huurt, als dat nodig is, vriendjes in om hem te helpen. Op een dag gaat Tim (tien jaar oud, in colbert, samen met zijn vader) naar de Kamer van Koophandel in Gouda. Daar wordt hij vriendelijk ontvangen, maar zodra men hoort dat hij zich met zijn verhuurbedrijf wil inschrijven, wordt er hard op de rem getrapt. De wet schrijft namelijk voor dat je officieel pas vanaf je 15e mag werken.  Met inacht neming van specifieke regels mag je vanaf je dertiende (onder toezicht van een volwassene) bepaalde werkzaamheden verrichten. Maar tien jaar en dan ondernemen, dat is nu eenmaal bij wet verboden, dus ‘not-done’.

Teleurgesteld verlaat Tim de Kamer van Koophandel. Hij snapt niet waarom hij dat  wat hij het leukste van de wereld vindt, niet mag doen. Zijn ouders vertellen hem waarom die regels destijds zijn opgesteld. En dat die regels bedoeld zijn om kinderen te beschermen en hen de gelegenheid geven zich te ontplooien. Maar Tim geeft aan dat hij niet gedwongen wordt om te werken en dat hij ook niet meer dan drie of vier uur per dag in het weekend of in de vakantie onderneemt.

“Hij is niet te stoppen,”  zei zijn moeder tegen me. “En ik moet je eerlijk zeggen dat ik bang ben dat ik hem niet kan houden als hij straks vijftien is. We vertellen hem hoe belangrijk het is om zijn school af te maken en straks diploma’s te halen. Maar die drive om te ondernemen is zo groot; dat houden wij echt niet tegen.”

In de knel met regelgeving

Tim wordt nu eigenlijk gedwongen om buiten de officiële regelgeving om zijn grote passie verder uit te bouwen. Op feestjes en partijen van vrienden en bekenden is hij inmiddels een bekend gezicht. Hij heeft geïnvesteerd in twee suikerspinmachines. Zijn popcornmachines verhuurt hij regelmatig. Bij de plaatselijke supermarkt heeft hij de directeur gesproken. Binnenkort staat hij met een promotiefilmpje (dat een bekende samen met hem maakte) op het grote TFT-scherm in de supermarkt. Samen met zijn moeder houden ze een kasboek bij. Tim leert wat het is om voor te financieren, om mensen te betalen, om risico’s te nemen, om zijn producten en diensten onder de aandacht te brengen, om te organiseren en te ondernemen. Hij laat de vriendjes die voor hem werken (en hun ouders) een contract ondertekenen.  En alles wat hij verdient, herinvesteert hij in zijn bedrijfje.

Als klap op de vuurpijl is hij al in een vergevorderd stadium om dit voorjaar in een gymzaal in de regio het grootste luchtkussen ter wereld (!) neer te zetten, waar honderden kinderen (desnoods) een dagdeel lang op kunnen springen, terwijl  hun ouders boven op de tribune hun kids in de gaten houden. Hij heeft de eigenaar van het springkussen zelf gebeld, met de uitbater van de gymzaal afspraken gemaakt en gaat straks alle basisscholen langs om zijn ‘springkussendag’ te promoten.

Tims ondernemerszin roept diverse reacties op.  Sommigen zien een ondernemende jongen, die geniet van wat hij aanpakt en onderneemt. Veel mensen zijn, net als ik, onder de indruk van zijn gedrevenheid. Je gunt hem het succes, dat nu al aan zijn kont lijkt te hangen. Aan de andere kant heb je de officiële instanties, die de regelgeving, die destijds (juist) ter bescherming van het kind is opgesteld, om te zorgen dat een kind zich kan ontwikkelen, stringent handhaven.  En je hebt mensen die hem enerzijds ruimte zouden willen geven en anderzijds zouden willen bewaken dat Tim wel voldoende kan genieten van zijn kind-zijn.

In de klas

In de klas komen we dit dilemma volgens mij ook tegen: met name kinderen die ‘begaafd zijn’ (zoals we dat zijn gaan noemen) lopen regelmatig tegen beperkingen aan die onze structuur en regelgeving heeft vastgesteld. Kinderen worden op basis van hun leeftijd in een groep geplaatst, krijgen leerstof aangeboden die nu eenmaal bij dat schooljaar ” hoort” en krijgen binnen de kaders beperkt ruimte zich verder te ontwikkelen.  Leerkrachten worstelen met het vinden en aanbieden van aanvullende leerstof en gebruiken argumenten als “als we kinderen nu al leerstof aanbieden van het volgende cursusjaar, weten we in groep 8 niet meer wat we ze moeten aanbieden”.  Dit soort argumenten komt mijns inziens voort uit het denken in bestaande structuren en gaat niet uit van het optimaal ontwikkelen van mogelijkheden van individuele leerlingen.

Ik zal de laatste zijn die zegt dat het eenvoudig is om in een groep van 30 leerlingen zo te differentiëren dat het in alle gevallen mogelijk is ieder kind op zijn of haar niveau voldoende uit te dagen.  Er van uitgaande dat het de taak van de school is om leerlingen optimaal te laten ontplooien en hen voor te bereiden op de maatschappij, zouden we toch tenminste dienen te handelen vanuit de intentie om het potentieel dat kinderen als Tim in zich hebben, zoveel mogelijk te laten ontwikkelen. Gelukkig zie ik (ook op mijn vakgebied rondom onderwijs en ICT) initiatieven ontstaan die heel bewust bezig zijn leerlingen op hun niveau uit te dagen en de ruimte geven verder te groeien, ook als dit het curriculum van dat jaar overstijgt. Ik volg deze ontwikkelingen met belangstelling en juich inventieve initiatieven van harte toe.

Hoe verder?

En Tim? Ik ben er van overtuigd dat hij als ondernemer succesvol is en zal worden. En ik hoop dat hij mede dankzij (en niet ondanks) het onderwijs en de volwassenen die hem begeleiden verder zal komen in zijn drive om te ontplooien en te ondernemen. Net zo goed als het een recht is voor kinderen om goed onderwijs te krijgen en geen kinderarbeid te moeten verrichten, lijkt het me een kinderrecht om jezelf te ontwikkelen en ondernemend te kunnen zijn, ook als je niet de nu eenmaal vastgestelde leeftijd van vijftien jaar hebt bereikt.

PS Ik zie uit naar jullie reacties, omdat ik me realiseer dat hier nog het nodige over te zeggen valt.

Laat een reactie achter