Moet ik met mijn school ook “in the cloud?”

Als je als (bovenschools) directeur of  ICT-coördinator de geluiden om je heen hoort, is het toch echt de bedoeling dat je straks “met je netwerk the cloud ingaat….”  De vraag is echter wat men precies onder ‘the cloud’ verstaat en wanneer dit realiteit wordt voor uw school(omgeving).

 

Een bijdrage van Henk van de Hoef

Situatieschets

Het ‘in the cloud werken’ betekent dat zowel (een deel van) de benodigde hardware, als de content (software) via het internet beschikbaar wordt gesteld. Wanneer een organisatie volledig in the cloud werkt, is er dus geen fysieke server meer op locatie noodzakelijk. Een partij als de Serverloze Basisschool (SchoolDesk) kwam al ruim zes jaar geleden met een oplossing voor het onderwijs, waarbij de server buiten de school kon worden geplaatst.  Helaas was de techniek op dat moment (in veel gevallen) niet toereikend om het geheel volledig werkend op te leveren.  Dat uiteindelijk de educatieve contentapplicaties én de data (grotendeels) buiten de school komen te staan, staat voor velen vast. Het moment waarop is echter de grote vraag, los van de vraag of we in alle gevallen wel zo blij moeten zijn met deze ‘extern geparkeerde data’.

Kennisnet scenario’s

Samen met Stichting Kennisnet heb ik in de tweede helft van 2012 een uitgebreid onderzoek in de markt verricht onder zowel aanbieders als gebruikers binnen het PO en VO.  Daaruit blijkt dat er momenteel ruwweg drie scenario’s spelen op de ondervraagde scholen:

a) het lokale scenario (de data staat vrijwel geheel lokaal op de server)
b) een hybride scenario (de data staat zowel lokaal op de server, als ‘in the cloud’)
c) het cloud-scenario (alle data en applicaties staan fysiek buiten de school)

Op veel basisscholen valt de balans nu nog uit naar een scenario waarbij veel data op de server op locatie staat. Los van het webbased LVS (ParnasSys, ESIS, Dotcomschool, CITO LOVS) en een aantal  educatieve applicaties (waaronder Ambrasoft, digibordsoftware-applicaties etc.) staat nog een groot deel van de educatieve software op een locale server. In het voortgezet onderwijs is een snellere verschuiving te zien naar omgevingen, waarbij servers gevirtualiseerd in een datacenter worden geplaatst.

Educatieve content van uitgeverijen

Met name in het primair (maar ook in het voortgezet) onderwijs heeft de school  te maken met een aantal lastig te nemen hobbels, waardoor men nog vrij lang in een hybride omgeving zal moeten blijven werken.  Allereerst heeft de school te maken met de educatieve uitgeverijen. De grootste uitgeverijen lopen, al dan niet bewust, niet voorop in de ontwikkeling van online content. Een groot deel van hun huidige verdienmodel is gebaseerd op gedrukte methodes en educatieve softwarelicenties die als netwerkversie worden verkocht. Ook zij realiseren zich terdege dat ze wel moeten meegaan in het online beschikbaar stellen van hun lesmateriaal.  Doen ze dat niet, dan zullen ze op korte of middellange termijn worden ingehaald door andere initiatieven. De weg die daarin nog te gaan is, is helaas nog relatief lang.  Naar mijn inschatting zal de hybride situatie voor veel scholen tenminste tot 2016 voortduren. Voor een school betekent dit een investering van zowel een server op locatie, als het afnemen van online applicaties via the cloud.

(Draadloze) internetvoorziening

Een tweede uitdaging voor de school betreft de infrastructuur. Veel scholen hebben in het vorige decennium een bedraad netwerk aan laten leggen (met Cat 5e bekabeling). Dat is op zich een prima investering geweest,  ook voor de toekomst. Wanneer scholen echter meer flexibel met tablets, laptops of smartphones willen gaan werken, is een goed functionerend draadloos netwerk een must. Op veel PO-scholen (en een behoorlijk deel van het VO)  is de realiteit dat er slechts één of twee accesspointsin de school zijn aangebracht. Daarnaast maken nog veel scholen gebruik van een ADSL-verbinding, die niet of onvoldoende uitgerust is om deze nieuw ontstane situatie goed te kunnen laten werken. Zowel in de download- (vaak 4 tot 10 Mbit) als ook in de uploadsnelheid (vaak slechts 0.4 – 1 Mbit) schiet het netwerk dan vroeg of laat tekort.

Uitdaging

De scholen die mee willen in deze nieuwe werkelijkheid, krijgen met de bovenstaande uitdagingen te maken. Daarnaast spelen er nog tenminste twee andere evidente uitdagingen een rol, namelijk  het ontwikkelen van een heldere visie op het leren van de toekomst (o.a. 21-century-skills) en het professionaliseren van de leraar. Aan al deze belangrijke aspecten zit zowel een forse financiële, als ook een inhoudelijke kant.  Schoolleiders zullen worden uitgedaagd om hierop de komende periode een antwoord te vinden.

Advies

Graag verwijs ik u naar het genoemde onderzoek van Kennisnet. Via deze link komt u bij de ontwikkelde applicatie, waarmee u geholpen wordt uw huidige situatie in kaart te brengen en te bezien wat u nodig heeft om naar de nieuwe situatie toe te groeien.  Scholen die nu voor de keus staan om hun hardware te vervangen, dienen goed af te wegen dat ze hoogstwaarschijnlijk de komende drie tot vier jaar te maken krijgen met een hybride situatie.  In dat geval kan een investering in desktops of laptops en een server op locatie nog steeds een goede investering zijn. Los daarvan kan het gefaseerd uitzetten van pilots rondom het gebruik van tablets in de school een goede zaak zijn, mits er vooraf een heldere visie is ontwikkeld en beschreven.  In een volgende column zal ik daar nader op ingaan.

Henk van de Hoef
O21 – Onderwijs in de 21e eeuw